Welffens, Peter

Antwerpen, 07/05/1924 > Deurne, 11/02/2003

Historische teksten

Over Stroppe la Corde

door Peter Welffens

[Het Middelnederlandse dierenverhaal Van den vos Reynaerde is een ongenadige satire op mens en maatschappij. De figuur van de vos en al wat hij vertegenwoordigt inspireerde talloze kunstenaars, in woord, muziek en beeld. Zo ook de componist Peter Welffens. Dat het ontstaan van zijn opera, door samenloop van omstandigheden, bijwijlen Kafkaiaanse vormen aannam, lezen we hier in zijn verhaal.]

Nochtans droomde ik ervan, het was begin jaren zestig, ooit een opera te schrijven. Het lot had het zo gewild dat theater (toneel, opera en ballet) mijn vertrouwd milieu zou worden. Ik schreef hier in Antwerpen een aanzienlijk aantal partituren voor produkties van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, het Koninklijke Jeugdtheater en het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst (Studio Herman Teirlinck), alsook voor de toenmalige Antwerpse dansgroepen van Lea Daan en Jeanne Brabants (meer recent ook voor de Compagnie Aimé de Lignière). Het onderwerp voor mijn "droomopera" zou "de Schone en het Beest" zijn. Maar waar kon ik een geschikt Nederlandstalig libretto vinden? Ik heb toen verschillende auteurs benaderd, o.m. Clem Schouwenaars en, naar ik meen ook Hubert Lampo, die toen tot de "entourage" van de "Gewestelijke Omroep Antwerpen" behoorden, waar Renier Van der Velden toen de muzikale scepter zwaaide, en waar ik ook "vriend aan huis" was. Zonder resultaat echter.

Toen begon het toeval te spelen. Begin 1963 vroeg Leonce Gras mij enige repetities te begeleiden van het destijds zeer vermaarde St. Lievensknapenkoor dat zou meewerken aan een uitvoering onder diens leiding (ik had af en toe wel eens audities begeleid op het Flageyplein). Het toeval nu wou dat bij deze repetities Mark Liebrecht en Eddy Steylaerts aanwezig waren, de uitvoering zou immers uitgezonden worden door de televisie. Tijdens mijn gesprekken met Mark Liebrecht en Jan Hellinckx viel het woord "jeugdopera" en of ik die niet wou schrijven, dit alles in het vooruitzicht van een televisieproduktie. Zo begon de bal te rollen. Na enig zoeken en afwijzen kozen wij de "Reinaert"-versie van Eduard Veterman, een barokke herdichting uit het Middelnederlands. Deze, hoewel archaïsch klinkende, herdichting bleek een zingbaar Nederlands, want zoals reeds vermeld, een "zingbaar" Nederlandstalig libretto vinden was (en is) problematisch. Ik vond trouwens dat een epos als Reinaert een archaïsch klinkende taal gerust kon verdragen.

Bij de compositie, die ik aanving op 6 mei 1963, bleek al vlug (na tweederde van het eerste bedrijf) dat de compositie boven de opdracht uitgroeide, bovendien waren er in het St. Lievenscollege moeilijkheden gerezen rond het knapenkoor. Het zou dus geen jeugdopera maar een gewone, avondvullende opera worden. Op aandringen van Mark Liebrecht componeerde ik verder (met ettelijke onderbrekingen omwille van ander kleine opdrachten) zodat op 13 mei 1964 het tweede bedrijf voltooid was. Toen echter begon een zenuwslopend, drie maanden durend "welles-nietes"-spelletje rond een mogelijke uitvoering, tot begin augustus '64 de beslissing viel: een verkorte versie voor televisie op 11 juli 1965, en een serie integrale opvoeringen in de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen (seizoen 1965-'66).

Ondertussen was mijn compositie-in-wording immers opgenomen in het "vijfjarenplan" van Minister van Cultuur Renaat Van Elslande en K.V.O.-directeur Renaat Verbruggen. Andere opera's in dit plan waren o.m.: De Antikwaar van Jef Maes, De verzoeking van St. Antonius van Louis De Meester en Willem Van Saeftinge van Freddy Devreese.

Ondertussen moest ik tijdens de resterende tijd in ijltempo nog het derde bedrijf schrijven en het geheel orkestreren. Op 3 december 1964 was alles voltooid. Verdere tribulaties rond het aanmaken van het nodige materiaal, evenals de stress bij de voorbereiding, laat ik hier onvermeld. Op 11 juli 1965 ging de televisieversie op antenne en op 5 maart 1966 vond, onder mijn leiding, de creatie plaats van de integrale versie in de K.V.O. in Antwerpen.

De opera is "durchkomponiert" met gebruik van het "leitmotiv"-principe. Ieder figuur heeft zijn motief, motieven die constant in de orkestbegeleiding aanwezig zijn. Het muzikale idioom is een zeer chromatische polytonaliteit. Daar er reeds een Vlaamse opera bestond met als titel Reinaert de Vos (van August De Boeck), suggereerde Mark Liebrecht als titel Stroppe la corde.

Het verhaal van Reinaert is, naar ik aanneem, eenieder welbekend. In de versie van Veterman treedt ook een "Ezelskoor" op dat, evenals in de Griekse treurspelen, het gebeuren sarcastisch commentarieert. Deze commentaren betreffen vooral het relatieve in de menselijke rechtspraak. In de televisieserie, waarvan in deze uitzending de klankband gebruikt wordt, komen maar twee korte fragmenten van deze ritmisch gereciteerde koren voor. Het eerste, met z'n zeurende toon, is bedoeld als persiflage op de manier waarop in de gerechtszaal wel eens langdurig acten voorgelezen worden.

Ook persiflerend bedoeld is de figuur van Courtois. Deze figuur, met zijn geradbraakt Frans, als prototype van de toenmalige "bourgeois", gaf me de gelegenheid een loopje te nemen met het "belcanto".

Ook moet vermeld dat het tweede bedrijf met o.m. de bezoeken van Meneer Bruin en Juffrouw Tybaert aan Reinaert, voor een groot deel is samengevat in twee pantomimes, voor de televisieversie geschreven voor klavecimbel, celesta en percussie.

Een historisch aspect van deze opname is wel dat ik toen als laatste gebruik maakte van het grote orgel in Studio 4 aan het Flageyplein; de reciterende stem die men hoort is die van Mark Liebrecht.

Welffens, P.: De onstaansgeschiedenis van mijn opera Stroppe la Corde, in: Muziek & Woord, juni 1994, p. 11.