Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Loockx, Philemon

Ledeberg, 17/06/1869 > Sint-Amandsberg, 20/09/1938

Biografie

Loockx, Philemon

door Annelies Focquaert

Philemon(d) Joseph Loockx was pianist, componist, dirigent en pedagoog. Ondanks een rijk gevulde carrière is zijn naam vandaag zo goed als vergeten. Dankzij achterneef Marc Loockx, die over hem een uitgebreid bronnenoverzicht bij elkaar bracht, en een biografisch artikel van Guido De Bruyker, wordt het mogelijk deze componist beter te kaderen.

Loockx werd geboren in een eenvoudig en kroostrijk gezin in Ledeberg. Hij kreeg zijn eerste muzikale onderricht van zijn vader Victor, die mecanicien was en ook wat piano speelde. Op zijn 11e werd Philemon ingeschreven in de muziekschool van Ledeberg, waar hij les kreeg van componist en dirigent Edward Blaes. Vanaf 1881 studeerde hij aan het Conservatorium van Gent; 8 jaar later behaalde hij er een eerste prijs piano in de klas van Max Heynderickx. Dadelijk na dit diploma werd hij aangesteld als monitor voor de voorbereidende klassen piano, iets wat hij tot in 1894 zou blijven doen. In die periode gaf hij les aan de jonge Lieven Duvosel. Tegelijkertijd zette hij zijn studies voort en behaalde hij de eerste prijzen harmonie (1891) en contrapunt (1892) in de klas van Adolphe Samuel. Ernest Brengier was er zijn medeleerling. Op 19-jarige leeftijd werd hij benoemd als leraar aan de muziekschool van Ledeberg (1888-1898).

Vanaf eind de jaren 1890 breidde hij zijn werkterrein uit naar Aalst, waar hij zich vooral aan het privé-onderwijs wijdde (bijvoorbeeld aan leerlingen van het Jezuïetencollege, 1898-1913), gecombineerd met een baan als leraar piano en zang in de muziekschool van Aalst vanaf 1898. In deze periode nam hij ook twee Ledebergse koren onder zijn hoede: De Eendracht (1889-1894) en de Bond der Oud-Leerlingen (1896-1900); vanaf 1901 dirigeerde hij de koormaatschappij Sint-Cecilia in Aalst. In 1908 bood hij zijn diensten als repetitor aan bij het bekende Gentse koor 'Les Mélomanes', een aanbod dat men er graag aannam. Toen dirigent Franz Uyttenhove zijn ontslag indiende in 1909, werd Loockx eerste dirigent. Al na amper een maand nam Loockx zelf ontslag en werd hij opgevolgd door zijn leerling Lieven Duvosel.

In 1908 werd Loockx dirigent van de koorafdeling van de Aalsterse Rederijkerskamer De Catharinisten, naast mededirigenten Gustaaf Pape en Karel De Mette, tot hij in 1912 werd opgevolgd door Pape. Met de verschillende koren die Loockx dirigeerde, zette hij niet alleen eigen werk (de cantates Vlaanderen en Aan Aalst) op het programma, maar voerde hij ook De Leie van Benoit uit in 1912.

Pas na de Eerste Wereldoorlog kon hij een plaats veroveren die hem meer prestige en een beter inkomen bezorgde: toen in 1918 de muziekschool van Gentbrugge en Ledeberg gesticht werd, was Loockx er de eerste directeur en gaf hij er pianoles. Parallel daarmee werd hij in 1920 hij directeur van de muziekschool van Aalst. Voor beide posten ging hij met pensioen in 1934.

Ook als componist kreeg hij na WO I meer succes en bekendheid, onder meer dankzij zijn grote talent voor het schrijven van liederen en koorwerken. In 1924 won hij met zijn volkslied De taal der Minne de eerste prijs in een wedstrijd die uitgeschreven was door de vereniging De Kunstvrienden te Brussel en waarbij Lunssens, Van Nieuwenhove en Wilford de jury vormden.

Lambrecht Lambrechts greep deze gelegenheid aan om in het meinummer 1925 van Muziek-Warande een hoofdartikel te wijden aan deze 'verdienstelijke, maar al te nederige musicus'. Lambrechts, die Loockx goed kende, schrijft: "Loockx heeft den naam een kunstenaar te zijn tot in de vingertoppen, staat bekend voor een onvermoeid werker, mag bogen op een blozende gezondheid en geniet de achting van al zijn collega's, die vaak in groot getal komen luisteren, wanneer hij ergens optreedt als klaviervirtuoos." Maar ook: "Het is, eilaas, het privaat onderwijs - en het huisonderwijs -, dat jarenlang de beste krachten van Loockx in beslag heeft genomen, zoodat de vaardige man maar weinig tijd heeft kunnen besteden aan de compositie en het onderhouden van zijn klaviervirtuoziteit. Dit feit is één der grootste smarten van zijn leven.

Lambrechts beklaagde er zich over dat zo weinig van Loockx' werken uitgegeven waren, en dat euvel is vandaag, zovele jaren na Loockx' dood, natuurlijk niet verbeterd. Van de ongeveer 70 werken die Loockx moet gecomponeerd hebben, zijn er maar enkele terug te vinden. In 1922 publiceerde hij Grondbeginselen der Toonkunst en enkele methodes voor notenleer en klavier. Maar verder werden er maar enkele liederen uitgegeven; zijn kindercantate De Macht van 't Lied, uitgevoerd op 3 juli 1921 in Aalst, zijn succesvolle 'kunstlied' Aan Zee, zijn Allegro voor strijkkwartet, zijn sonate voor viool en piano of zijn cantates: allemaal zijn ze verloren of voorlopig niet teruggevonden. Het blijft dan ook moeilijk een volledig beeld te vormen van zijn compositorische verdiensten.

Lambrechts besloot zijn artikel uit 1925 met een hoopvolle noot: "Hij heeft nog niet alles geleverd wat wij van hem mogen verwachten, zelfs niet een tiende deel ervan. Hij hoeft maar te willen, en Vlaanderen zal verbaasd naar hem opkijken, geboeid naar hem luisteren, hem huldigen met een algemeen applaus. Wat Loockx vooral noodig heeft, is tijd en aanmoediging. Kan hij het eerste nog eenigszins vinden in de vrije verlofdagen, het tweede is een zeldzaam kruidje in België, vooral in het achterlijke Vlaanderen. Nu zou er in de eerste plaats een uitgever moeten opdagen, die vertrouwen stelt in zijn Muze, [... en] hem ook nog een reeks nieuwe compositiën zou moeten bestellen [...]."

Dat optimisme bleek ongegrond, want Loockx' actie - en die van de uitgevers - bleef uit. Na WO II ging het dan met de Vlaamse muziek een zodanig andere kant op dat Loockx' werken, net zoals die van zovele anderen, niet meer uitgevoerd werd en als te ouderwets werden beschouwd.

© Studiecentrum voor Vlaamse muziek vzw - Annelies Focquaert