Gilson, Paul

Brussel, 15/06/1865 > Brussel, 03/02/1942

Biografie

Gilson, Paul

door Jaak Van Holen

Paul Gilson werd op 15 juni 1865 in Brussel geboren als tweede kind - zijn broer Charles was 10 jaar ouder - van Victor Gilson, bediende, en Jeanette Vander Borght. In mei 1866 verhuisde het gezin Gilson naar het Brabantse Ruisbroek. Daar kreeg hij het eerste muziekonderricht: notenleer, piano en wat harmonieleer van koster-organist en dirigent van kerkkoor en fanfare, Auguste Cantillon. In Ruisbroek schreef hij, wellicht omstreeks 1880, zijn eerste composities: bescheiden werken voor koor en fanfare. Dit vroege contact met het medium fanfare tekende zijn verdere componistenloopbaan: als één der allereersten creëerde Gilson oorspronkelijke en kwalitatief hoogstaande werken voor harmonie en fanfare; terecht wordt hij de "vader van de Belgische blaasmuziek" genoemd. Ook zijn symfonisch oeuvre draagt hiervan de sporen: het is gekenmerkt door een geraffineerd gebruik van de blazerssectie.

In 1882, na de dood van zijn vader, keerde Paul Gilson terug naar Brussel. Hij volgde er les bij Charles Duyck (harmonie en een spoedcursus contrapunt) en eventjes wat compositie aan het Conservatorium, bij François-Auguste Gevaert, maar desondanks bleef hij grotendeels autodidact. In Brussel stortte hij zich leergierig in het concertleven en werd er vooral getroffen door de opera’s van Wagner en door het kleurrijke orkestpalet van de Russische Nationale School. Met César Cui en uitgever Belaieff onderhield hij een drukke correspondentie. Hij ontmoette Rimski-Korsakov, Glazoenov en Skrjabin.

Na een wegens ziekte mislukte eerste poging, behaalde hij in 1889 de Prijs van Rome met de cantate Sinaï. Aangespoord door deze onderscheiding schreef hij in de eerstvolgende jaren een reeks belangwekkende composities: de Six Mélodies (1889-1890); Alla Marcia, Rapsodie voor strijkorkest (1890); Le Démon (1890), een dramatische cantate voor soli, koor en orkest; de Mélodies Ecossaises (1891-1892) voor strijkorkest. Maar vooral na de alom bejubelde creatie van La Mer, Esquisses Symphoniques (Brussel, 20 maart 1892) leek hij zich definitief een plaatsje te hebben verworven op het Belgische concertpodium.

Toch verliep zijn verdere carrière allesbehalve rimpelloos. Met name na de creatie van zijn oratorium Francesca de Rimini (Brussel, 20 januari 1895) rekende de muziekpers hem een slechte tekstkeuze aan en hekelde ze vooral het overwegend beschrijvende, evocatieve van zijn œuvre.

Bovendien was de van huis uit Franstalige Gilson, die in Ruisbroek zeker ook Nederlands leerde, stilaan in contact gekomen met het muziekleven in Vlaanderen. In bepaalde hoofdstedelijke kringen werd hem dat niet in dank afgenomen en kon hij op behoorlijk wat tegenkanting rekenen. Maurice Kufferath, directeur van de Muntschouwburg, deed er bijvoorbeeld alles aan om in 1902 de creatie van La Captive te boycotten.

In 1900 werd Gilson benoemd tot leraar harmonie aan het Brusselse Conservatorium. Twee jaar later kreeg hij eenzelfde opdracht in Antwerpen. Beide functies vervulde hij tot 1909. Toen volgde hij Edgar Tinel op als inspecteur van het Vlaamse muziekonderwijs. In 1912 zou hij er de bevoegdheid voor het muziekonderwijs in Wallonië bij krijgen, in opvolging van Emile Wambach. In de periode van zijn onderwijsopdracht schreef hij o.m. twee Symfonische Ouvertures (1900 ; 1903-04), de Petite Suite Rustique voor piano (1901), het ballet La Captive (1902), de Variations, oorspronkelijk voor groot koperensemble, nadien herwerkt voor symfonieorkest (1903) en de opera’s Prinses Zonneschijn (1901) en Rooversliefde (1902). Terzelfdertijd ontwikkelde hij een gigantische activiteit als musicograaf, muziektheoreticus en criticus. Ook na de beëindiging van zijn onderwijsopdracht aan de Conservatoria van Brussel en Antwerpen bleef hij lesgeven, privé. Zowat de hele Belgische componistengeneratie van het interbellum is bij hem in de leer geweest.

Die overdrukke activiteiten, een zwakke gezondheid en zeker ook de tegenkanting die hij in Brussel bleef ondervinden, veroorzaakten in de periode 1905-1910 een merkbare kentering in zijn compositorisch werk. Met uitzondering van het ballet Les Deux Bossus (1910-1921) schreef hij geen groots opgezette werken meer; de uitgebreide bezettingen ruimden plaats voor een traditioneel vroeg-romantisch orkest, vaker nog beperkte hij zich tot kamerbezetting. Steeds meer schoeide hij zijn werk op een degelijke vakkennis waarin de vonk van de spontane inspiratie wat lijkt te ontbreken. Het betekent geenszins dat hij na 1910 nauwelijks nog waardevolle muziek schreef. Integendeel, periodes van diepe moedeloosheid en steeds weer opflakkerende scheppingsdrang bleven mekaar steeds afwisselen. Maar de beloften die een compositie als De Zee inhield, kon hij ‘op rijpe leeftijd’ niet echt waarmaken.

De meest opvallende opflakkering van zijn scheppingsvermogen valt samen met het uitbreken van ‘de Groote Oorlog’. De ontreddering van het land leidde er immers toe dat de muziekscholen een tijdlang hun deuren moesten sluiten. Pas dan had hij waar hij met de aanvaarding van zijn benoeming tot inspecteur op had gehoopt: tijd om te componeren. In die periode werkte hij o.m. zijn Suite Nocturne voor piano af en schreef hij nog drie van Six Chansons Ecossaises op teksten van Leconte de Lisle. Hij reviseerde zijn boek Le Tutti Orchestral en begon aan een indrukwekkende driedelige Traité d’Harmonie. Zijn betrokkenheid bij het tumult rond de vervanging van de naar het buitenland gevluchte Wambach als directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen, bezorgde hem evenwel een zware mentale klap die hij nauwelijks te boven kwam. Een complex kluwen van politieke, Vlaams-nationalistische manoeuvres resulteerde, kort voor het einde van de oorlog, in de benoeming van Gilson door de Duitse bezetter, tot waarnemend directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium. Op beschuldiging van collaboratie werd hij na de oorlog gedurende drie jaar uit al zijn functies ontzet.

Kort voor zijn zestigste verjaardag lag Gilson mee aan de basis van de oprichting van La Revue Musicale Belge waarvan hij tot het verschijnen van het laatste nummer in december 1939 artistiek directeur bleef. In datzelfde jaar werd hij ook medewerker van Radio Belgique. Hij werd belast met een wekelijkse kroniek van vijf minuten, ‘La Semaine Musicale’, waarin hij een overzicht gaf van het reilen en zeilen in de muziekwereld. Zijn drukke bezigheden als inspecteur, criticus en privéleraar maakten het hem onmogelijk nog veel te componeren. Hij schreef nog hoofdzakelijk voor blazersensembles, vaak gelegenheidswerken voor wedstrijden (zoals Tornacum, Grande Marche du Centenaire als opgelegd werk voor de internationale wedstrijd in Doornik, 1930), al is een compositie als Parafrazen op Vlaamse Volksliederen (1929?) voor symfonieorkest daar een gelukkige uitzondering op.

Met ingang van 1 september 1930 werd hij officieel op rust gesteld. Vijf jaar later werd de viering van zijn zeventigste verjaardag weerom overschaduwd door Vlaams-Waalse tegenstellingen. Na de omvorming van de openbare omroep tot NIR-INR verzorgde hij beurtelings ‘La Quinzaine Musicale’ en ‘De Veertiendaagsche Muziekkroniek’, als voortzetting van ‘La Semaine Musicale’. In het voorjaar van 1935 werd hij onaangekondigd ontslagen en vervangen door Ernest Closson. Er was een interpellatie van Vlaamse senatoren nodig om Gilson, speelbal geworden in het politieke hoenderhok, terug te laten keren bij de omroep. Maar de toegeving van Minister Spaak was wellicht bedoeld om fundamenteler eisen van de Vlamingen (een eigen Vlaamse zender) te ontzenuwen, eerder dan om Gilson zelf in eer te herstellen.

Componeren deed hij steeds minder, al staakte hij die werkzaamheid nooit helemaal: muziek voor strijkorkest voor de film Le Mas d’Icare van Carlo Queeckers (1934); duo’s voor blaasinstrument en piano: de Romantische werkjes (1934-1936); Aria di Timpani con 6 Variazioni (1940); vermoedelijk dateert ook de muziek voor het treurspel Elijah van Cyriel Verschaeve uit deze periode.

Op 1 april 1937 huwde Gilson in Londen met Celina Stoops, zangeres en zanglerares met wie hij wellicht reeds van voor de Eerste Wereldoorlog samenwoonde. Steeds meer liet zijn gezondheidstoestand intussen te wensen over: levercirrose, diabetes, een tumor.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is hij noodgedwongen zo goed als helemaal gestopt met het geven van privélessen. In het uitstalraam van de Brusselse uitgever Joris Vriamont hing deze advertentie: “Compositeur, Premier Grand Prix de Rome, accepte tous travaux de copie; s’adresser 33, Rue Voltaire”. Volgens getuigenissen eerder een teken van mentale depressie dan van echte financiële nood.

Paul Gilson overleed in zijn woning in Schaarbeek op Goede Vrijdag 3 april 1942.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek - Jaak Van Holen