Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Callebert, Cecilia

Sint-Jan, 31/07/1884 > Roeselare, 12/02/1978

Biografie

Callebert, Cecilia

door Lien Alaerts

Cecilia Callebert is een van de weinige vrouwelijke Vlaamse componisten uit het begin van de twintigste eeuw. Ze werd geboren in een artistieke familie: haar grootmoeder speelde Beethoven, haar moeder was een talentvol zangeres, haar vader maakte harmonisaties van verscheidene werken, haar zus speelde cello en haar broer, die in Duitsland overleed als krijgsgevangene, was violist. Muziek werd haar dus met de paplepel ingegoten. Van jongs af aan kreeg ze pianolessen van haar vader en al snel bleek dat ze veel talent had. Toen ze in 1892 in Roeselare kwam wonen, volgde ze pianolessen bij haar tante Pauline Desmedt. Op twaalfjarige leeftijd speelde ze al werk van Chopin, von Weber en Moszkowski.

Ze ging verder studeren aan het 'Collège Musical Belge' in Antwerpen, een privéschool voor muziek waar Jan Blockx in 1899 voorzitter werd. Emiel Wambach en Camille Gurickx zetelden in de keurraad en gaven respectievelijk les aan Callebert in harmonie en piano. Daar behaalde ze haar diploma piano in 1901 met grote onderscheiding. Vervolgens trok ze richting het Conservatorium van Brussel waar ze piano (Camille Gurickx), theoretische harmonie (Martin Lunssens) en compositie (Paul Gilson) studeerde. Het diploma voor piano behaalde ze in 1903 en ze behaalde de tweede prijs voor theoretische harmonie, die haar in staat stelde om vervolgens mee te dingen naar het diploma. Dat ze haar diploma behaalde, was een hele belevenis in Roeselare. Callebert werd namelijk door het stadsbestuur op het stadhuis ontvangen en een maand later kon ook de Roeselaarse bevolking hulde brengen.

In 1904 werd Callebert tweede op een toernooi voor de prijs Van Cutsem. Deze wedstrijd werd ingericht aan het Conservatorium van Brussel door Henri Van Cutsem, een kunstverzamelaar die optrad als mecenas voor muzikanten. Ondanks het luide applaus van het publiek dat haar als winnares wilde zien, moest ze de overwinning laten aan haar mededingster, Marika Casantzis uit Athene (leerlinge van Adolphe François Wouters). Callebert zou eveneens de intentie gehad hebben om deel te nemen aan de Prijs van Rome. Paul Gilson had haar namelijk gezegd dat ze met haar talent deze wedstrijd zeker niet zou mogen missen. Het is echter niet duidelijk of haar gezondheidsproblemen of haar eventuele overweging tot intrede bij de karmelietessen aan de oorzaak liggen van het feit dat ze nooit deelgenomen heeft. Die toetreding is er uiteindelijk nooit gekomen, maar ze stelde zich als oud-leerlinge van de grauwzusters-franciscanessen, regelmatig muzikaal ten dienste van de kloostergemeenschap en het schoolleven. In 1921 hielp ze bij de oprichting van de muziekschool van Roeselare en het jaar daarop legde ze zich volledig toe op haar muzikale activiteiten: privélessen geven en componeren.

Een carrière als pianovirtuoze was voor Callebert weggelegd, moesten haar gezondheidskrachten niet te kort geschoten hebben. Toch trad zij af en toe eens op in een Belgische of Noord-Franse stad. In Oudenaarde speelde ze bijvoorbeeld werken van Herberigs. Deze momenten waren echter schaars, men vond haar eerder terug in Roeselare waar ze pianoles gaf aan een twintigtal leerlingen.

Callebert componeerde haar eerste veertien liederen op Franse tekst, in navolging van haar Franse en religieuze opvoeding. Door haar dagelijkse contacten met de grauwzusters-franciscanen werd echter haar Vlaams bewustzijn geprikkeld. Vanaf 1920 ging ze ook haar werk beperken tot religieuze en Vlaams georiënteerde composities. Ze nam doelbewust afstand van de nieuwe muzikale stromingen die in opgang waren aan het begin van de twintigste eeuw. Ze hanteerde namelijk een eerder conservatieve stijl, daar ze bleef componeren volgens de klassieke regels die ze onder andere van Paul Gilson had geleerd.

Callebert componeerde een aantal klavierschetsen Op naam van. Dit zijn korte stukjes, variërend van vier tot zestien maten, waarbij de hoofdmelodie ontleend wordt aan klinkers en medeklinkers uit de naam van de persoon die in de titel vermeld staat. Naast klavier- en orgelwerken bestaat haar oeuvre voor het grootste deel uit religieuze liederen en missen op teksten van de grauwzusters-franciscanessen of Vlaamse auteurs. Tot slot schreef ze nog muziek - vooral koren met een rijke melodie - voor enkele toneelstukken: Karel de Goede, Roode dageraad (1926) en Uit kracht van de gehoorzaamheid (1931).

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Lien Alaerts