Waelput, Hendrik

Gent, 26/10/1845 > Gent, 08/07/1885

Biografie

Waelput, Hendrik

door Tom Janssens

In zijn roman L’Art en exil portretteert Georges Rodenbach de artistiek hard-boiled zwerftocht van de naar zuivere vormen zoekende Rembrandt. Tussen de vele vrienden van de schilder bevindt zich ook de getormenteerde componist Walburg, die her en der in de roman opduikt om uit te pakken met zijn geblutste ziel:

Au tournant d’une rue, Jean se heurta à son ami Walburg; celui-ci semblait ivre, et, la langue embarrassée, faisant une pose après chaque mot, il se mit à lui raconter qu’il n’avait pas obtenu la place qu’il espérait: un autre musicien, sans talent, avait été nommé, grâce à des intrigues politiques. Rembrant se rappela qu’on lui avait annoncé la nouvelle en ajoutant que depuis ce temps, le malheureux s’enivrait tous les jours.

Walburg de gefnuikte estheet: zowaar een personage dat in een bitterzoete Woody Allen-film niet zou misstaan.

Wie op zoek is naar een accurate kunstenroman, laat L’Art en exil liever links liggen. Immers, meer dan eens neemt Rodenbach een loopje met de (historische) werkelijkheid. Veeleer zag hij in Rembrandts en Walburgs levensloop het ontnuchterende parcours dat zowat elke kunstenaar doorloopt. Bij het verschijnen van het boek in 1889 werd er in de literaire wandelgangen dan ook gefluisterd dan Rodenbach zichzelf als model had genomen voor de figuur van Rembrandt. Hardnekkiger echter waren de geruchten als zou de auteur ook enkele petits histoires in de roman verwerkt hebben. Zo zou het personage van de onbeholpen Walburg gemodelleerd zijn naar de al even tragische componist Hendrik Waelput.

In hoeverre Rodenbach echt op de hoogte was van Waelputs weinig glansrijke muzikale carrière, is voorlopig onbekend. Vast staat in elk geval dat Rodenbachs Walburg en de Gentse componist Waelput meer met elkaar gemeen hebben dan alleen maar een taalkundige naamsverwantschap. Ook het gelijkaardige, artistiek beknotte leven van beide toondichters deed en doet vermoeden dat Rodenbach niet alles uit de spreekwoordelijke duim zoog. Want, als er één ding is waarmee Hendrik Waelput bekendheid verwierf, was het niet diens compositorische output, maar wél diens naargeestige loopbaan.

Mijne Heeren, ik vraag het U of die man, na zijn dood, niet iets méer verdiende dan de onverschilligheid en de miskenning die gedurende zijn leven schier zijn eenig loon waren! O, ik wil U dit leven, die lijdensgeschiedenis, niet verhalen! Het is om erbij te weenen, Mijne Heeren! zo sprak de dichter-dokter Eugeen Van Oye in 1911 tijdens een emotionele oproep aan de leden van de Koninklijke Academie. Net zoveel verontwaardiging valt te lezen in tal van huldeblijken die na Waelputs dood in 1885 verschenen. Het Gentse dagblad La Flandre Libérale schreef in 1886 al:

c’est l’auteur de tant de belles œuvres, le symphoniste si remarquable que nous avons vu succomber, il y a quelques mois, miné par le chagrin… Pauvre Henri Waelput! Cette brillante intelligence, ce talent supérieur dont la nature l’avait généreusement doué, par un singulier caprice de sort, n’ont été pour lui que des sources inaltérables de tristesse.

In zijn monografie citeert Emiel Callant Peter Benoit, die na Waelputs dood diens inzet roemde, niettegenstaande de harde beproevingen, welke hem bij zijn leven niet werden gespaard, en wellicht zijn al te vroeg en betreurd afsterven hebben verhaast. En Lambrecht Lambrechts aarzelde niet om Waelput te herdenken als een miskende… Een groot miskende… of, elders, als een rijkbegaafden, maar diep-ongelukkigen schepper.

Wij blijven u bewonderen! Wij blijven u betreuren! zo klinkt het aan het slot van Emiel Callants ‘korte levensschets’, geschreven om den tol van vereering, bewondering en vriendschap te betalen, welke wij aan de nagedachtenis van den grooten kunstenaar verschuldigd waren. Zelfs de wetenschappelijk onderbouwde monografie van Edward De Vynck opent met het gekleurde voornemen dat hij

vooral de aandacht [wil] vestigen op den genialen man die tijdens zijn levensloop, vooral bij zijn landgenooten, steeds miskenning, vernedering, ja zelfs vervolging heeft gekend. Wij willen sympathie wekken voor een man van beteekenis, die ondanks de meest vernietigende en ontmoedigende tegenspoed, zijn warmtintelend scheppingsvermogen steeds ongeschonden heeft bewaard.

De postume verontwaardiging over Waelputs miskende talenten is zodanig groot, dat je je achteraf kan afvragen wat nu tragische is: ’s mans artistiek gefnuikte leven of de tergend irritante karrevracht aan collectieve treurzangen? Want, dat Waelputs levensdrama al gauw interessanter bevonden werd dan zijn oeuvre, is een jammere zaak. Dat hij nauwelijks vier jaar na zijn dood opgevoerd werd als een tranerig romanpersonage is daar ongetwijfeld het beste bewijs van.

 

Ontkiemend talent

Zoals het een ‘miskend talent’ past, gaf Hendrik Waelput – geboren in Gent op 26 oktober 1845 – al vroeg blijk van een muzikale begaafdheid. De jonge knaap, ook al had hij een minimale muzikale voorkennis in de broekzak, zette zich met veel ijver aan het componeren. Daarbij hield hij zijn schrijfsels bescheiden geheim. Tot moeder Waelput op een dag het bureau van zoonlief opruimde en in een lade een pakket vol muziekmanuscripten aantrof – de grootte van dit pakket varieert al naargelang de bron van petit tot immense. Tussen de manuscripten zaten een of meerdere composities voor orkest, een gegeven dat – gezien Waelputs geringe kennis van instrumenten of orkestratie – de dure ambities van deze componist-in-spé aardig illustreert.

Callant geeft ons een hint van welke composities er zoal in dat pak zaten:

Op veertienjarigen leeftijd schreef Waelput reeds romancen en andere muziekstukken, die bewaard zijn gebleven en getuigen van zijn ontkiemend talent. Rond denzelfden tijd schikte hij de ‘Krijgsouverture’ van Jozef Mengal, als zeshandig pianostuk.

De ontdekking van deze clandestiene naarstigheid bleef – gelukkig – niet zonder gevolg. Waelputs ouders legden de composities van hun zoon voor aan enkele onderlegde musici, die er vervolgens hun waardering over uitspraken. Sommige bronnen verhalen zelfs dat in eerste instantie Karel Miry aangezocht werd om een oordeel over Waelputs probeersels uit te spreken. Emiel Callant vermeldt in elk geval dat Adèle Mengal, dochter van Jozef Mengal, in naam van Waelputs familie Miry verzocht om de jongeman harmonielessen te geven, wat M. Miry heel bereidwillig deed. Beslist werd dus dat de kleine Waelput na de schooluurtjes muziekonderricht zou krijgen bij Miry. Dat deze Waelput graag als privéleerling aannam, wordt bevestigd door Paul Bergmans:

Notre populaire compositeur gantois [bedoeld wordt Karel Miry], après avoir parcouru ces productions et y avoir remarqué les indices d’un réel talent, demanda aussitôt aux parents l’autorisation d’enseigner l’harmonie à leur fils ; ils le lui accordèrent, mais à la condition qu’il ne donnerait que deux leçons par semaine, car ils destinaient l’enfant au barreau et ne voulaient pas lui laisser abandonner ses études.

Inderdaad werd Waelput niet klaargestoomd voor een conservatoriumopleiding, maar wel voor universitaire studies. Toch waren Waelputs ouders niet helemaal ongevoelig voor het muzikale talent van hun zoon. Niet alleen hun bereidwilligheid een van de meest invloedrijke Gentse componisten aan te stellen als privédocent bewijst dat. Ook de wijze waarop de jonge componist zijn entree in de muziekwereld kon maken, geeft aan dat het gezin Waelput de muzikale talenten van de jonge Hendrik stimuleerde. Zo werd het hem – wellicht met behulp van familiale financiële ondersteuning – mogelijk gemaakt al in de vroege jaren 1860 enkele van zijn vroege salonliederen te laten drukken. Onder het pseudoniem H. Lübner – een verkapt anagram van Lebrun, de meisjesnaam van Waelputs moeder – werden bij de Gentse uitgeverij Gevaert een redowa de salon (Ida), een romance (La plus jolie), een rêverie (Hirondelle envolée), een mélodie (Si j’étais fleur) en een Marche triomphale composée à l’occasion des fêtes de l’inauguration de la statue de Jacques Van Artevelde gedrukt.

 

Le sujet constant de ses méditations 

Over de universiteitsjaren van Waelput durven de bronnen elkaar wel eens tegen te spreken. Vast staat dat Waelput – die van huis uit voorbestemd was om advocaat te worden – nooit zijn universitaire studies afrondde. In 1863 schreef Waelput zich in aan de Gentse Rijksuniversiteit en volgde, in tegenspraak tot de ouderlijke wensen, een lessenpakket uit de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Sommige biografen houden vol dat Waelput hier zijn kandidatuursdiploma met goed gevolg behaalde, maar zeer waarschijnlijk haf de door de muziek bezeten Waelput al in het eerste academiejaar de brui aan zijn studies: in 1864 vinden we hem immers terug als student aan het Conservatorium van Brussel. Hoe gering of weinig succesvol ook, Waelputs universitaire opleiding sprak stellig tot de verbeelding van menig tijdgenoot en biograaf, met alle verhalen over ’s mans filosofische gemoed, zijn verdiepte geestescultuur en diepzinnige houding tot gevolg.

Om welke reden Waelput naar het Brusselse conservatorium trok, en niet naar dat van zijn geboortestad Gent, is totnogtoe een open vraag. Wellicht zat de grotere internationale uitstraling van docenten als François-Joseph Fétis en Charles-Louis Hanssens er voor iets tussen dat de jonge Waelput voor de Belgische hoofdstad koos. Als we een van zijn medestudenten mogen geloven, voelde de jongeman – die toch enige muziektechnische achterstand in te halen had – zich er goed in zijn vel:

La science du contrepoint et de la fugue lui coûta à peine quelques mois d’études et nous lui avons vu résoudre souvent à l’heure même où il allait se rendre au cours de composition, des problèmes compliqués de polyphonie musicale, qui étaient présentés à l’illustre fondateur du Conservatoire de Bruxelles [bedoeld wordt François-Joseph Fétis]. Il connut d’intuition, pour ainsi dire, l’art d’orchestrer ; rien de ce qui touche à l’instrumentation ne lui semblait étranger. Waelput avait alors l’enthousiasme et la foi dans son art. Il admirait les maîtres. Bach, Beethoven, weber, Berlioz, Wagner étaient le sujet constant de ses méditations ; et il sut puiser dans la contemplation de leurs œuvres, ce souffle puissant qui anima plus tard certaines pages où se révèle chez lui l’aurore d’un génie.

 

Chercher sa voie

Maar, Waelput deed aan het conservatorium meer dan alleen maar partituren bestuderen of contrapuntische vraagstukjes oplossen. Hij componeerde ook en speelde het klaar om al in 1865 een komische opera af te leveren. La ferme du diable, op een libretto van Wagnervertaler Victor Wilder en Ernest Houdet, bracht in twee bedrijven de misverstanden samen tussen een jaloerse echtgenoot, zijn kokette trouwe echtgenote, een don juaneske versierder en een moraliserende pastoor. Alleen al een schuine blik op de personages doet vermoeden waar het heen gaat met de hopeloos doorzichtige plot. Het publiek dacht er ent zo over en na de première op 24 maart 1865 verdween het werk voorgoed in de spelonken van de opera. On a surtout remarqué, dans cet opéra les couplets de la jeune fermière, un duo des deux époux, un trio et quelques grâces de l’orchestration. Mais c’est une forêt vierge qui doit être élaguée. L’auteur est plein d’avenir, mais il cherche encore sa voie, zo merkte Le journal de Gand beleefd op.

Dat de negentienjarige Waelput de jans kreeg om een opera op de Gentse planken te brengen, was wellicht te danken aan zijn vroegere leraar Karel Miry. Hoe intens de contacten tussen leerling en leraar waren, is nog onduidelijk, maar meer dan waarschijnlijk was de waardering wederzijds. Nadat Waelput in 1866 afstudeerde aan het conservatorium, bracht hij als dirigent van de Vlaamse Schouwburg in Brussel verschillende van Miry’s werken op de planken. Maar niet alleen Miry’s Nederlandstalige zangspelen, ook de lyrische drama’s van Peter Benoit plaatste Waelput op het programma. Enkele bronnen melden zelfs dat Waelput de intentie ha dom binnen de Vlaamse schouwburg een ‘Vlaamse Opera’ op te richten. Als (Nederlandstalig) Gentenaar in Brussel voelde Waelput zich namelijk geroepen om het Vlaamse, culturele bewustzijn – dat omstreeks die tijd in de figuur van Peter Benoit een gedroomde frontman vond – uit te dragen. Niet toevallig dus ontstaan rond deze tijd de eerste schetsen van zijn Nederlandstalige ‘grote opera’ Berken de diamantslijper. Op enkele scènes na werd de opera nooit voltooid.

Waelputs moeizame experimenten in het muziektheater – na zijn geflopte opéra comique zou hij no g maar één muziektheaterwerk, Stella, voltooien –mogen gerust contradictorisch genoemd worden. Hoewel hij in z’n latere leven regelmatig in de orkestbak van een of ander theater of operahuis dirigeerde, zou Waelput zich enkel laten opmerken als orkest- en liedcomponist. Dat was ook het geval in de late jaren 1860, toen hij in de Vlaamse Schouwburg werkzaam was. Zo componeerde hij in 1866 een Concerto symphonique voor fluit en orkest, opgedragen aan de fluitist Jan Dumon (voor wie ook Peter Benoit zijn één jaar eerder geschreven en gelijknamige Fluitconcerto componeerde). Hoewel het werk in de pers bekritiseerd werd omwille van de gewaagde anticoncertante en symfonische opzet, was er niemand die de compositorische vaardigheid van Waelput in twijfel durfde trekken. Eveneens in 1866 schreef hij een van zijn bekendste werken= de Anneessensouverture. Deze programmatische concertouverture, geïnspireerd door de dramatische lotgevallen van de Brusselse vrijheidsstrijder, werd voor het eerst met veel succes uitgevoerd tijdens een concert georganiseerd door de Société Royale des Chœurs in Gent op 11 januari. Op 13 maart 1866 werd de ouverture voorgesteld aan het Brusselse publiek, op een benefietconcert dat georganiseerd werd om een veelbelovend cellist (Jacquier) uit het leger te houden. De Echo du Parlement is alvast enthousiast:

L’ouverture d’Agresses est l’œuvre d’un jeune musicien, si l’on considère la richesse un peu exubérante des effets d’instrumentation qui s’y étalent; elle est l’ouvrage d’un artiste consommé, si l’on tient compte des hardiesses harmoniques qui s’y font jour, presque à chaque mesure, et j’oserai ajouter, presque à chaque note.

Een jaar later, wanneer de jonge componist een concert dirigeert met eigen werk, meldt dezelfde krant dat het publiek Waelput na afloop trakteerde op une de ces ovations qui marquent dans la carrière d’un artiste.


Het vaandel van feest en triomf

Zonder twijfel moet de jonge Waelput zich gelukkig gevoeld hebben in de hoofdstad. Als dirigent van de Vlaamse Schouwburg had hij een leerrijke job, hij kon er de nieuwste werken van zijn grote voorbeelden Miry en Benoit opvoeren en zijn composities werden in de pers – zij het met kritische kanttekeningen – welwillend onthaald. Het enige wat nog ontbrak op de palmares van deze jonge belofte was een Romeprijs. Zo gezegd, zo gedaan: in 1867 deed Waelput een eerste gooi naar deze prestigieuze compositieprijs, en trof meteen raak. Op 20 juli won het aanstormende talent de Romeprijs met zijn cantate Het woud, op tekst van de Gentse dichter Karel Versnaeyen. Daarmee was hij de eerste Vlaamse componist die deze prijs won met een Nederlandstalige cantate. Immers, per Koninklijk Besluit van 31 december 1864 was beslist dat in de Prijskamp van Rome ook Nederlandstalige teksten mochten worden getoonzet. Het gebruik van een Nederlandstalige tekst was een hervorming die pas na veel politiek verzet en esthetisch gepalaver doorgevoerd werd. Omdat in 1867 ook de tweede prijs naar een Vlaming (Leo Van Gheluwe) ging die voor de Nederlandstalige cantatetekst koos, maakte de Franstalige pers gewag van Le Sadowa des Flamands – een zinspeling op de overdonderende zege van Pruisen op Oostenrijk van het jaar ervoor. Deze toespeling moet overigens erg bitter geklonken hebben voor Waelput, die in zijn lied De groote maaiers uit 1866 een wrange aanklacht formuleerde tegen deze bloedige ‘broederstrijd’.

Waelputs overwinning was in elk geval een ferme opsteken voor de flamingant georiënteerde kunstwereld. Bij zijn thuiskomst in Gent werd de jongeman dan ook getrakteerd op een majesteitelijke ontvangst: Het kunstminnen Gent, dat met fierheid op zooveel verdienstelijke zonen mag wijzen, mocht opnieuw het vaandel van feest en triomf laten wapperen. Een nieuw aangekomene had plaats genomen in de rei van Gent’s kunstenaars; een jonge kamper voor het edele, het idealistische schoone, was ten strijde getogen en behaalde de zege: Hendrik Waelput was primus in de kampstrijd van Rome, zo schetst Callant het Gentse onthaal. De laureaat werd aan het station opgewacht door afgevaardigden van alle Gentse muziekverenigingen, mocht op het stadhuis de felicitaties van het gemeentebestuur ontvangen en werd daarna gelauwerd in het lokaal van de Gentse koorvereniging De Melomanen. Gek genoeg duurde het een tijdje vooraleer de eerste publieke opvoering van Het woud plaatsvond. Toen het werk op 23 september 1867 in Gent uitgevoerd werd, berichtte Le Journal de Gand met enige scepsis:

Il nous a paru que M. Waelput, entraîné par le développement de ses idées musicales, s’écarte parfois un peu trop du poème… Ce manque d’union de sentiments entre les paroles et la musique, ne nuit pas à la valeur purement musicale de sa composition, mais à notre avis il vaudrait mieux l’éviter.

Zoals het reglement van de Romeprijs voorschreef, werd Waelput niet alleen beloond met nationale roem, maar ook met een studiebeurs die aangewend moest worden om internationale kunstreizen te maken. Het mag niet verbazen dat Waelput – wiens interesses vooral uitgingen naar de symfonische muziek – koos om in 1868 naar Berlijn te trekken, en niet naar het door operamuziek gedomineerde Parijs. Op dit moment hebben we het raden naar wat Waelput zoal uitstak in de Duitse hoofdstad. De enkele brieven die hij vanuit Berlijn naar zijn vriend Eduard Nevejans – koorleider van De Melomanen – stuurde, geven weinig relevante info over Waelputs muzikale ervaringen. Over zijn persoonlijke gevoelens vertellen ze ons des te meer. Zo laat hij zich enkele esthetisch vermomde verzuchtingen ontglippen wanneer hij reageert op Nevejans’ huwelijksaankondiging:

La femme est pour l’artiste le pivot autour duquel tournent, dans l’infini en un sens aussi fantaisiste que lui-même, toutes ses aspirations vers le beau idéal qu’il cherche et ne parvient jamais à atteindre. La nature humaine n’est pas assez forte pour saisir ce dieu impalpable et mystérieux (…).

Eveneens blijkt uit deze brieven dat Waelput erg geïnteresseerd is in het Vlaamse muzieklandschap, en het is wellicht via Nevejans dat de componist hoort dat de directeurspost van de muziekschool in Brugge vacant gesteld wordt. Waelput aarzelt niet en stelt zich vanuit Berlijn kandidaat voor deze functie. Het zou de slechtste carrièrezet uit Waelputs korte leven zijn.

 

Een nuttige inrichting

De muziekschool van Brugge ontstond in 1847, enerzijds vanuit de ambitie om het rijke Brugse toneelleven te verrijken met een eigen muziekcultuur, anderzijds vanuit een toenemende behoefte aan professioneel geschoolde musici. Immers, Bergen (1820), Doornik (1827), Spa (1830), Ath (1835, Gent en Leuven (1835), Sint-Truiden (1837), Namen (1838), Oudenaarde (1839), Nieuwpoort (1840), Antwerpen (1842) en Mechelen (1844) gingen Brugge reeds voor in het oprichten van muziekscholen of ‘zang- en toonkundige scholen’. Charles Serweytens, kapitaalkrachtig houtgroothandelaar en kunstminnend voorzitter van de Brugse toneelkring Kunstliefde, vond dat ook Brugge recht had op professioneel onderbouwd muziekonderwijs en stelde alles in het werk om een gelijkaardige muziekschool op te richten.

Niet dat het Bruggen ontbrak aan muziek. Integendeel, de stad kon rekenen op een doortastende koortraditie: aan de verschillende hoofd- en parochiale kerken werden jonge knapen door zangmeesters (maîtrises) onderwezen in koorzang, gregoriaans, notenleer en soms wel instrumentale muziek. Wat er echter te Brugge ontbrak, zo vat André Malfeyt in zijn geschiedenis van de Brugse muziekschool het streven van Serweytens samen, Was eene MUZIEKSCHOOL waar de kinderen van burger en van werkman kosteloos een grondig onderricht zouden genieten en alwaar niet alleenlijk solfège, klavier, snaartuigen en zang, maar ook blaasinstrumenten van allen aard zouden aangeleerd worden. Na veel lobbywerk en geldelijke investeringen (Serweytens kocht uit eigen zak het schoolgebouw en het volledige schoolmeubilair) werden op 9 april 1847 de inschrijvingslijsten geopend:

De prys der inteekening is tien frank ’s jaars en men verpligt zich voor dry naer een volgende jaren. Ieder inschryver heeft het regt eenen leerling aen te bieden die kosteloos de lessen zal mogen volgen en zal tot het bywoonen der buytengewoone oefeningen uytgenoodigd worden. Men behoeft geen lid der maetschappy Kunstliefde te zyn om ondersteunend lid der toonkundige school te worden.

Te meten naar de opkomst was het initiatief een succes: liefst zestig leerlingen werden ingeschreven. De hoofdvakken waren zang en notenleer (onderwezen door Joannes-Baptist Valckenaere, tevens de directeur van de school) en piano (met als docent Lodewijk Hubené). De Gazette van Brugge schreef:

Wy hadden geern gezien dat er tegelyker tyde eenige professors voor het aanleeren van snaer- en blaesinstrumenten benoemd wierden, maer wy vernemen dat het de geldmiddelen voor den oogenblik niet toelaten. Wy verhopen dat welhaest deze hinderpael niet meer zal bestaen en dat al de burgers deze nuttige inrichting zullen ondersteunen, tevens dat wy verzekerd zyn dat de regeering, het provinciael- en stadsbestier niet ten achteren zullen blyven.

Een wens die niet onbeantwoord bleef: toen Waelput zich goed twintig jaar later kandidaat stelde: was het vakkenpakket aanzienlijk uitgebreid en waren de overheidssubsidies gevoelig verhoogd.

Hoe waardevol de oprichting van een Brugse muziekschool voor het West-Vlaamse muziekleven ook was, de opzet ervan werd niet door iedereen toegejuicht. Al van bij de oprichting kon de muziekschool rekenen op flink wat tegenstand van de stedelijke zangmeesters:

Zij die gedurende zoovele jaren het monopolium, voor wat het aanleeren der muziek betrof, gehad hadden, en ontegensprekelijk op toonkundig gebied hoogst verdienstvol werk hadden verricht, dachten, en wel ten onrecht, door deze nieuwe instelling getroffen te zijn, ja zelfs in hunne eer gekrenkt waren. Zoo werd aan de koorknapen onrechtstreeks verbod gedaan de Toonkundige School te volgen. (Malfeyt)

Het gevolg hiervan was dat – ondanks alle pedagogische acties – de verwachte muzikale vooruitgang binnen het Brugse cultuurleven slechts moeizaam tot stand kwam.

Toen de Brugse muziekschool in 1868 op zoek was naar een nieuwe directeur, werd aangedrongen zo spoedig mogelijk een nieuwe ‘bestuurder’ aan te stellen. De commissie die het bestuur van de muziekschool delegeerde, deed enkele vergeefde pogingen om ook niet-Bruggelingen aan te trekken, maar kon, met het summiere jaarloon van 2.000 fr. Niemand bereid vinden om het directeurschap waar te nemen. De commissie stond vervolgens op het punt om Jan Baptist Rappé, sinds 1864 docent cello en contrabas, aan te stellen, toen Waelputs kandidatuur arriveerde. De sollicitatie van een gevierde en beloftevolle Romeprijswinnaar was voor de ambitieuze muziekschool een geschenk uit de hemel. De gesprekken met Rappé werden meteen opgeschort en een voorstel aan het stadsbestuur werd opgemaakt. De aanbevelende nota van de commissie aan de burgemeester besluit als volgt: En résumé les succès déjà obtenus par M. Waelput, dont la carrière musicale où il ne vient que d’entrer, permettent d’augurer beaucoup de son avenir et nous font espérer que sa nomination comme directeur, sera précieuse pour l’Ecole. Enkele maanden later, in januari 1869, benoemt het Brugse stadsbestuur met algemene stemmen de dan 24-jarige Waelput tot de nieuwe directeur van de muziekschool.

Er was maar één probleem: Waelput zat in Berlijn, en was als Romeprijswinnaar verplicht drie opeenvolgende jaren studiereizen te maken in het buitenland. Zoniet verloor hij het recht op de beurs die hem door de prijskamp toebedeeld was. Het stadsbestuur van Brugge wilde haar nieuwe muziekdirecteur niet opgeven en er ontstond een breedsprakerige briefwisseling tussen de stad Brugge en het Ministerie voor Schoone Kunsten. Even leek het erop dat een compromis in de maak was: het Brugse stadsbestuur stelde voor Waelput in de wintermaanden de school te laden leiden, en hem in de zomermaanden vrij te stellen voor buitenlandse studiereizen. Maar, deze cumul werd door de juryleden van de prijskamp verworpen, zodat Waelput zich genoodzaakt zag om uiteindelijk af te zien van zijn studiefonds.

Waarom de jonge componist een (te) hoge, maar (te) weinig betaalde functie verkoos boven een driejaarlijkse, kosteloze en avontuurlijke studietrip, is niet meteen verklaarbaar. Zeer waarschijnlijk had de jonge Waelput – naar het voorbeeld van Peter Benoit – grootse plannen met de Brugse muziekschool, en zag hij zichzelf al als de grondlegger van een kwalitatief hoogstaande (West-) Vlaamse muziekcultuur. De talloze initiatieven die Waelput al vanaf zijn aanstelling lanceerde, wijzen alvast in die richting. Waelput reorganiseerde de hele muziekschool, stelde een nieuw lessenrooster samen, trok bekwame leerkrachten aan, wees anderen de deur en maakte komaf met pedagogisch bedenkelijke praktijken. Met Waelput aan het hoofd groeide het aantal leerlingen van de muziekschol opmerkelijk aan. In het verslag van de commissie uit 1869 is sprake van liefst 158 leerlingen: 20 voor harmonieleer, 66 voor notenleer (‘solfège’), 21 voor viool, 6 voor cello, 4 voor contrabas, 5 voor fluit, 3 voor hobo, 10 voor klarinet, 3 voor fagot, 7 voor trompet, piston en bugel, 3 voor trombone en tuba. De strijkkwartetklas werd door 13 leerlingen gevolgd, en 30 studenten volgden de cursus ‘symphonische oefeningen’. Voor de afstuderende instrumentalisten componeerde Waelput zelf de examenstukken.

 

Tegen het ‘operetteflanflan’

Niet alleen in de muziekschool, maar ook in het Brugse muziekleven deed Waelput een nieuwe, frisse wind waaien. Zo werd hij in 1870 aangesteld als orkestmeester aan de het jaar daarvoor geopende schouwburg. Hoewel Waelputs aanstelling opgelegd was (en de leerlingen van de muziekschool door het stadbestuur verplicht werden in het nieuwe orkest te musiceren), wist hij zijn vroegere Brusselse ervaring aan de Vlaamse Schouwburg optimaal te benutten. Le Journal de Bruges schrijft op 2 april 1870:

A force de travail et de soins constants, cet habile chef est parvenu à former une phalange de musiciens capables d’aider au succès des ouvrages lyriques. L’art de lire les partitions et surtout l’art d’accompagner ne sont pas choses faciles, et il faut une aptitude spéciale pour dresser un orchestre. La besogne est souvent ardue, et c’était d’autant plus le cas à Bruges, puisque quelques rares artistes seulement avaient eu l’occasion de s’exercer à jouer dans un orchestre avant l’ouverture de notre Théâtre.

Belangrijker echter dan zijn activiteiten in de bak van de Brugse schouwburg, was de reeks volksconcerten die Waelput oprichtte onder de titel Concerts populaires de musique classique. Met deze concerten trachtte hij – naast de optredens door de muziekschool – aan het volk de geniale werken van Belgische en vreemde meesters te laten genieten, en tezelfder tijd tegen het ‘operetteflanflan’ eenen dijk te stellen. (Callant) Dat Waelput zijn volksopvoedende taak ernstig nam, mag blijken uit de werken die hij op het programma plaatste: bij het eerste concert op 24 januari 1870 stonden werken van Beethoven, Weber, Schumann en Wagner op het programma, naast composities van Hanssens, Gevaert en Waelput zelf. In Le Guide musical van 3 februari 1870 stond te lezen:

Malgré tous les obstacles semés sur leur chemin, le succès a été immense. Avant toute autre ville de province, Bruges a osé tenter et réalisera progressivement ce qui, il y a quelques années, était considéré par des hommes jugés compétents une entreprise téméraire, chimérique, même dans la capitale. (…) L’exécution a été des plus parfaites non seulement sous le rapport de la précision, mais encore sous le rapport de l’interprétation, fruit des études profondes d’esthétique qui constituent la supériorité de M. Waelput.

 

Une espèce de machine politique

Door een reeks volksconcerten in het leven te roepen, joeg Waelput echter een andere concertvereniging tegen zich in het harnas. De concertmaatschappij La Réunion musicale, die vóór de komst van Waelput het muzikale leven in Brugge domineerde, voelde zich bedreigd door de nieuwe en succesvolle Concerts populaires. Bovendien voelde de invloedrijke chef van La Réunion musicale, graaf Moles Le Bailly, zich gekrenkt door Waelputs muzikale politiek. Dat de jonge dirigent scoorde met fel gesmaakte uitvoeringen van ‘ernstige’ orkestwerken zoals de ouverture van Tannhäuser en het voorspel tot Lohengrin, werd geïnterpreteerd als een regelrechte aanval op zijn concertmaatschappij, die doorgaans salonfähige orkestmuziek bracht.

Wat volgt, is een van de minder fraaie hoofdstukjes uit de Brugse kunstgeschiedenis. Met behulp van de stedelijke zangmeesters – die door de komst van de muziekschool hun bron van inkomsten zagen wegvallen – zetten Le Bailly en zijn vereniging een giftige lastercampagne tegen Waelput op. In plaatselijke krantjes verschenen vanaf 1870 regelmatig (leugenachtige?) verhaaltjes over Waelputs drankzucht en speelschulden. Bovendien werd hij ervan beschuldigd te sjoemelen met de inkomsten van zijn concertreeks. Muzikanten die meespeelden in de Réunion musicale werden verboden deel te nemen aan de Concerts populaires, repetitiemateriaal werd ontvreemd of vroegtijdig weggehaald, repetities werden verstoord en op een zekeren dag [werd] een schoorsteenveger in werkkleedij naar het koncert gezonden met opdracht op de eerste rij plaats te nemen. (De Vynck) Toch bleef een groot deel van Waelputs musici hem trouw: om hun dirigent te steunen tijdens deze storm aan plagerijen werd hem door het orkest een reuzenkroon aangeboden, waarbij op ieder blaadje de naam van elke muzikant in gouden letters geschreven stond.

De boycot van Waelputs concertreeks ging niet onopgemerkt voorbij. In het Brugse krantje La Plume was er zelfs sprake van les molestants (de aanhangers van Le Bailly) en les molestés (de musici van Waelput). En Le Journal de Bruges meldt op 4 juli 1871:

nous devons constater que, dès son arrivée à Bruges, M. Waelput a été l’objet d’une hostilité envieuse et haineuse qui ne s’est pas arrêtée à l’homme, mais s’est acharnée à l’artiste même, dont elle a paralysé tous les efforts. C’est ainsi qu’on l’a fait descendre des hauteurs de l’art des Concerts Populaires, que les grandes villes nous enviaient, pour en faire une espèce de machine politique.

Het lijkt er inderdaad sterk op dat Le Bailly – door La Plume omschreven als een homme aux titres ronflants, qui a gagné la maladie de battre la mesure au son de ses pièces d’or, donc a contresens – via een politiek steekspel de ambitieuze Waelput onderuit wilde halen. Zo kreeg deze graaf het van het stadsbestuur gedaan dat de repetities van zijn Réunion musicale in de schouwburg voorrang kregen op de repetities van het schouwburgorkest zelf!

 

Une poste sans utilité

Niet alleen gekrenkte zangmeesters, omhooggevallen orkestleiders of enggeestige persmuskieten maakten Waelput het leven zuur. Ook binnen het bestuur van de muziekschool groeide de onvrede over Waelput. De zelfzekerheid en het compromisloze enthousiasme waarmee de initiatiefrijke jonge directeur het Brugse muziekleven bestormde, werd door de op hiërarchie gestelde commissie meer dan eens als hyperarrogant of betweterig geïnterpreteerd. Waelputs weinig diplomatieke attitude zette dan ook kwaad bloed bij tal van notoire gemeenteraadsleden en artistiek vastgeroeste commissieleden. Dat de jonge directeur bovendien op administratief en bestuurlijk vlak een niet bijster transparant beleid voerde, werd hem erg kwalijk genomen. Rapporten over studievorderingen lieten op zich wachten, boekhoudkundige formulieren bleven oningevuld, verslagen werden niet, te laat of onvolledig afgeleverd. Vooral toen een (verloren gegane) doorlichtingsnota van muziekinspecteur Leo Van Gheluwe de Brugse muziekschool een laks beleid toeschreef, namen de bedenkingen omtrent Waelputs bestuurlijke kwaliteiten toe. Geen toeval dus dat het geduld van de commissie van de muziekschool – die verantwoording verschuldigd was aan het subsidiërende stadsbestuur – mettertijd op raakte. Waelput trachtte zich nog te verdedigen met de mededeling dat zijn verplichte aanstelling als orkestleider van de schouwburg zijn bestuurlijke functie in de weg stond, maar deze verklaring werd door de commissie niet aanvaard.

Op 26 mei 1871 richtte een moe getergde Waelput een brief aan de administratieve commissie van de muziekschool, waarin hij zich weert tegen alle zwartmakerij:

Pourquoi me fait-on la guerre? (…) Pourquoi tolère-t-on que, sans raison aucune et alors que je fais mon devoir, des organes patronnés par une opinion politique, jettent le discrédit non seulement sur ma personne, mais aussi sur mes capacités artistiques jugées par des hommes dont on ne saurait récuser la compétence.

Waelput besefte dat hij verstrikt geraakt was in een politiek en artistiek kluwen. Zonder twijfel was ook de commissie op de hoogte van het tumult rondom Waelputs Concerts populaires en sijpelden de lasterlijke geruchten over zijn levenswandel merkbaar de administratieve commissie binnen. De combinatie van Le Bailly’s lastercampagne en Waelputs administratief nonchalante beleid maakten een ontslag onafwendbaar: op 1 juli 1871 stuurde Waelput zijn ontslagbrief naar de commissie en naar alle Brugse dagbladen. De gedesillusioneerde ex-directeur stak zijn verbittering niet weg:

Messieurs,

Ma dignité et ma conscience me font un devoir de renoncer à la direction de votre école de musique.

Dès les premiers jours de mon installation, j’ai senti que je n’aurais pas la souplesse de caractère nécessaire pour être l’instrument flexible des petits cénacles politiques et que je ne trouverais pas l’appui voulu pour faire sortir l’art musical de la vieille ornière, le faire renoncer aux puérilités de l’école romantique et accepter les leçons sévères des grands maîtres.

L’hostilité injustifiable qu’ont rencontré les Concerts populaires de Musique Classique m’a enlevé la dernière illusion au sujet des tendances qui dominent dans votre ville.

Je quitte mon poste sans regret parce que je le juge sans utilité dans la situation servile qui lui est faite. Malgré cette décision, j’offre mes services à la Commission de l’école de musique pour faire la besogne des concours et achever mes cours d’Harmonie, de Contrepoint et de Fugue.

Agréez, Messieurs, mes civilités.

H. Waelput

Waelputs moedige en vanuit pedagogisch oogpunt begrijpelijke verzoek om zijn lopende leergangen aan de muziekschool ten einde te voeren, werd afgewezen. Maar, nóg vernederende was het gegeven dat ook Waelputs vraag tot ontslag werd omgezet in een ambtsopheffing: toen zijn ontslagbrief op de gemeenteraad van 15 juli 1871 werd behandeld, vroegen enkele leden – op aanvraag van de commissie (!) – de revocatie. Op de dertien aanwezigen stemmen negen voor de revocatie, en dus werd Waelput als bestuurder van de muziekschool afgezet.

In het officiële verslag van de zitting – opgesteld door burgemeester Boyaval – stond enigszins vergoelijkend te lezen:

M. Waelput a été nommé directeur il y a trois ans; jamais fonctionnaire n’a rencontré plus de sympathie et de bienveillance d’abord, et d’indulgence ensuite. Il prétend attribuer sa démission à des motifs politiques. Je ne comprends rien à cette accusation et j’affirme que l’Administration communale ne connaît ni les opinions politiques, ni les opinions religieuses de M. Waelput. (…) Jamais des paroles malveillantes ne lui ont été adressées par le Collège ; il n’a reçu de sa part que de sympathiques encouragements et ce n’est qu’après plus de vingt-cinq avertissements que l’on a cru devoir servir.

Maar, uiteindelijk ging het verslag in op een vernietigend evaluatierapport, dat sprak over

la négligence excessive de M. Waelput à bien remplit ses devoirs, son défaut absolu de surveillance et de soins, son manque complet d’ascendant sur le personnel qu’il devait diriger.

 

Voor niemand buigen

Het weinig waterdichte ontslag van Waelput was dan wel een opdoffer voor het culturele leven in Brugge, toch volgde niet iedereen het besluit van de commissie en het stadsbestuur. Dat mag blijken uit de compositieopdracht die men Waelput in september 1871 gaf. Ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld van Hans Memling bestelde men bij Waelput een feestcantate. Oorspronkelijk dacht men eraan de 25 jaar oude, Franstalige Simon Stevincantate van Jules Busschop – eveneens geschreven bij de onthulling van een Brugs standbeeld – te recycleren door de vertaling te laten aansluiten bij leven en werk van Memling, maar uiteindelijk werd beslist om Waelput een nieuwe, Nederlandstalige cantate te laten componeren. Het werd het begin van een jarenlange samenwerking tussen Hendrik Waelput en de Oostendse dichter-dokter Eugeen Van Oye. Koos de componist voordien teksten van zijn boezemvriend Karel Versnayen, vanaf nu zou het Van Oye zijn die Waelput van liedteksten voorzag. Al meteen na (of zelfs tijdens) het werk aan de Memlingcantate zette Waelput zes gedichten van Van Oye om tot liederen. Dat de zonet afgeschreven directeur-dirigent zich wel kon vinden in Van Oyes argeloze antropocentrisme wordt overigens fraai geïllustreerd door zijn keuze om het gedicht Wees man om te buigen tot een koorwerk. Wees men en houdt U recht / Buig voor niemand / Dan voor de waarheid, zo klinkt het in Van Oyes verzen – een boodschap die de vernederde Waelput niet ontging.

De Memlingcantate werd bij de première op 11 september 1871 dan wel positief onthaald – de pianoreductie van de Mars uit het werk zou later een geliefd salonstuk worden – Waelput besefte dat hij in Brugge niet veel meer te zoeken had en pakte vastbesloten zijn koffers. Hij nam de moeite zelfs niet meer om de negentien liederen op tekst van Versnayen, waarvan de drukproeven bij de Brugse uitgever Gaillard lagen, goed te keuren voor publicatie. Waelput trok naar zijn geboortestad Gent terug, waar hij zich op goed geluk kandidaat stelde voor het ambt van directeur van het conservatorium. Dat Waelput weinig lovende geloofsbrieven kon voorleggen, daar was hij zich wel van bewust, maar dat ook de Gentse (roddel)pers zijn kandidatuur zou tegenwerken door de Brugse saga te herkauwen, kon hij niet vermoeden. Waelputs kandidatuur werd besmeurd door berichten in De Westvlaming en L’Avenir des Flandres, twee blaadjes die zijn vermeende laksheid en non-professionaliteit in Brugge voor de Gentenaar volledig uit de doeken deden. Het resultaat? Waelput haalde zelfs de tweede rond niet, en het was Adolphe Samuel die de directeurspost zou innemen.

 

Zoektocht naar erkenning

Waelput had het – begrijpelijk – knap lastig in de stad die hem vijf jaren geleden huldigde als de een nieuw aangekomene in de rei van Gent’s kunstenaars. Als pedagoog was hij in de pers bespot, als dirigent was er in het Gentse muziekleven voor hem geen plaats meer, en als componist was hij louter aangewezen op gelegenheidsopdrachten. Zo componeerde hij er ter gelegenheid van de ‘Riflemen’-feesten in 1872 zijn cantate De zegen der wapens (op tekst van Van Oye) en het werk voor koor en harmonie Broedergroet (op tekst van Napoleon Destanberg).

Meer verdienste echter haalde Waelput uit de Brusselse opvoering van zijn eerst symfonie in 1872. Door zich te wagen aan een abstract, historisch beladen muziekgenre legde hij de lat opnieuw erg hoog. Want, zoals L’Echo du Parlement zich na de première afvroeg: Qui écrit aujourd’hui des symphonies? Qui est capable d’en produire? Het antwoord wees duidelijk in de richting van de voormalige Romeprijswinnaar:

M. Waelput, de Gand, a eu cette audace rare, et actuellement son nom retentit, accompagné d’éloges aussi brillants que spontanés, aux quatre coins de la capitale; peut-être même ce nom sera-t-il populaire, sous peu, dans le monde musical entier. C’est que M. Waelput vient de faire un vrai coup de maître dans un domaine où de grandes individualités ont laissé leurs empreintes de génie et qui a été profané tant de fois par d’absurdes tentatives.

Zulke lovende woorden deden Waelput ongetwijfeld erg goed, en zeer waarschijnlijk dacht de Gentse componist er aan zijn vroegere reputatie in Brussel te herstellen. Vanaf 1872 tot aan zijn dood in 1885 zou Waelput immers steeds opnieuw de Brusselse muziekscène opzoeken. Tevergeefs, want een vaste betrekking of positie in Brussel zat er niet in? De reden daarvoor? Waelputs vervelende verhouding tot de machtigste man uit het Brusselse muziekmilieu: François-Auguste Gevaert. In zijn monografie over Gevaert vermeldt Ernest Closson waarom deze componist de deuren voor Waelput sloot:

C’est Waelput qui aurait découvert que le ‘triomfzang’ de la cantate Jacob Van Artevelde n’était autre chose que le vieux ‘toebakslied’ dont il a été question et qui l’aurait raconté. Gevaert ne le lui aurait jamais pardonné et aurait brisé la carrière de Waelput.

Maar, er is nog een ander incident dat verklaart waarom de jonge componist bij Gevaert op niet al te veel krediet kon rekenen. Toen hij in Brugge nog directeur was, pende de weinig diplomatisch aangelegde Waelput immers geregeld kwetsende en kritische opiniestukken tegen Gevaert bij elkaar. In sarcastische polemieken in het blaadje La Plume viel Waelput de conservatoriumdirecteur herhaaldelijk aan wegens diens ‘kosmopolitisme’ of ‘niet-nationalistische strekking’. Gevaerts ‘anti-Vlaamse’ houding en de idee dat buitenlanders aan Belgische of Vlaamse conservatoria zouden doceren, waren voor Waelput het mikpunt van spot:

C’est évidemment dans ce but que M. Gevaert s’adonne à l’étude des langues orientales et particulièrement du Sanscrit, dont la connaissance est si propre à inspirer des idées pratiques applicables sur tous les points du globe, notamment dans un pays comme le nôtre.

 

Een internationale leerschool

Door Brugge afgezet, door Gent vergeten en door Brussel geweerd: al op 27-jarige leeftijd was er van Waelputs beloftevolle carrière niet veel meer over. Waelput moet zijn vier jaar oude beslissing om een studiebeurs te ruilen voor een directoraat vaak en zwaar betreurd hebben. In 1872 besloot hij dan ook te zoeken wat hij toen verloor: een internationale leerschool. Aangetast door wrok en aangepord door een lege portemonnee zwier Waelput tussen 1872 en 1876 als orkestmeester doorheen Frankrijk en Nederland, op zoek naar de juiste betrekking. Waelput beproefde zijn geluk in de schouwburgen van achtereenvolgens Den Haag (1872), Dijon (1873), Boulogne-sur-Mer (1873); Douai (1874-1875), Issoudun (1875) en Fécamp (1875). Een enkele bron meldt zelfs dat Waelput het aanbod kreeg om een operettegezelschap op te starten in Istanbul. Maar, de componist had z’n lessen geleerd: zou hij zich een half decennium geleden nog roekeloos in een onbekende onderneming gestort hebben, ditmaal koos hij voor artistieke en vooral financiële zekerheid. Aujourd’hui il n’y a plus de grandes villes, il n’y a que celles où l’on paie bien, zo besloot een wereldwijze Waelput.

Waelputs zwerftocht is maar matig gedocumenteerd, en alleen onderzoek in de verschillende steden zelf kan een beeld geven van wat de jonge dirigent zoals uitstak en waarom hij het nooit langer dan één seizoen op een plek uithield. Vast staat in elk geval dat hij elke kans greep om ook z’n eigen werken op de concertplanken te brengen. En dat was geen eenvoudige klus, want zoals Camille Saint-Saëns opmerkte in zijn boek Harmonie et mélodie:

Avant 1870, un compositeur français qui aurait eu la folie de se risquer sur le terrain de la musique instrumentale, n’aurait aucun autre moyen de faire exécuter ses œuvres que d’organiser soi-même un concert, et d’y inviter ses amis et la critique.

Waelput organiseerde zulke concerten in Den Haag en Dijon: op het programma stonden zijn Memlingmars, de Anneessensouverture, fragmenten uit Berken de diamantslijper en de in Berlijn geschreven Kwartentanz. Vermoedelijk dirigeerde hij in Dijon ook de première van zijn Tweede symfonie, opgedragen aan zijn leraar Charles-Louis Hanssens.

 

Terug van ver weggeweest

Hoe veeleisend Waelputs trektocht ook was, toen hij in 1875 terug in België arriveerde, had hij een doortastende orkesttraining achter de rug. Zijn internationale directie-ervaring maakte het mogelijk de misère uit het verleden het hoofd te bieden en zich aan te bieden met meer en degelijkere geloofsbrieven. Met succes, want al in 1875 werd hij aangesteld als eerste dirigent aan de Gentse opera. Dat Gent haar verloren zoon met open armen ontving, mag duidelijk zijn uit de kansen die Waelput kreeg. Naast een voltijdse baan als orkestleider, mocht hij zijn eigen werken – vaak tussen twee verschillende opera’s door – op het programma plaatsen: zo kende zijn Tweede symfonie in oktober 1875 haar Belgische première, en nauwelijks een maand later mocht hij zijn Vierde symfonie aan het operapubliek voorstellen. Niet alleen als dirigent, ook als componist voelde Waelput zich in topvorm. In zijn brieven schreef hij herhaaldelijk en zelfzeker over de schoonheid van zijn symfonieën. Vous ai-je écrit quelle profonde impression avait produit sur moi la première lecture de ma symphonie en mi b? zo schrijft hij over zijn Tweede symfonie. En over de Vierde : Mon œuvre est splendide ; je en puis vous la détailler, mais en passant je me permets de vous dire que l’Andante est la plus belle chose que j’ai écrite et que j’écrirai jamais.

Kortom: Waelput was weer helemaal terug van ver weggeweest en ditmaal was hij niet van plan zijn bruggen opnieuw op te blazen. Hoewel hij in 1876 nog ’n tijdje actief was in de Rijsselse opera, trachtte Waelput z’n vaderlandse carrière nieuw leven in te blazen. Zo kreeg hij het voor mekaar om in 1876 zijn Tweede symfonie en De zege der wapens in Brussel op te voeren en om een tweede lied-cyclus Zes gedichten op teksten van Van Oye te laten drukken in Antwerpen. Op vraag van Leo Van Gheluwe dirigeerde hij in 1878 op het groot Nationaal Muziek-Festival in Brugge zijn Tweede symfonie. Dezelfde symfonie mocht hij het jaar daarop in Den Haag voorstellen.

Maar, Waelput deed er ook allen aan om zich in het Gentse muziekleven te laten opmerken. Zo organiseerde en dirigeerde hij in 1876 met veel publiek succes de eerste Gentse uitvoering van Beethovens Negende symfonie. De Gentse Maatschappij ter bevordering van Nijverheid en Wetenschappen behaalde in hetzelfde jaar de tweede prijs in de zangwedstrijd van Mechelen met Waelputs koorwerk Wees man en zou er in 1877 de eerste prijs mee behalen. Samen met studenten van de universiteit voerde Waelput in 1878 fragmenten van zijn Derde symfonie uit. Daarvoor, in 1876, schreef hij in opdracht van het stadsbestuur de luisterrijke cantate De pacificatie van Gent (op tekst van Emmanuel Hiel), ter gelegenheid van de 300e verjaardag van deze gebeurtenis. Net zoals ook Peter Benoit dat deed in zijn muziek bij het gelijknamige toneelwerk van Emiel Van Goethem, verwerkte Waelput ook volksliederen in zijn compositie, zoals het Geuzenlied Helpt nu uzelf (De tiende penning), het Tabakslied en het Wilhelmus. Maar, opvallender is dat Waelput in het (veeleisend bezette) orkest ook saxofoons en Thebaanse trompetten plaatse, iets wat Benoit een jaar later zou overnemen in de Rubenscantate. Afgaande op het bestaan van een intense briefwisseling tussen beiden is het denkbaar dat Waelput en de frontman van de Vlaamse muziek veel van elkaar opstaken. In hoeverre ze elkaars werk kenden en op welke manier die wederzijdse invloed zich in hun composities vertaalde, moet verder onderzoek uitwijzen.

 

Cette malheureuse cause flamande

Nadat Waelput in 1878 om nog onbekende reden de Gentse opera verliet, was het Benoit die hem naar Antwerpen haalde om er de leerstoel harmonie te bezetten. Op 19 november 1879 werd Waelput aangesteld als docent van de Vlaamse Muziekschool, Benoits pedagogische levenswerk en het bolwerk van de Vlaamse muziekbeweging. Men mag gerust enkele vraagtekens plaatsen bij Waelputs aanstelling: zo is het niet erg duidelijk hoe hij het klaarspeelde deze functie tot aan zijn dood te blijven vervullen, terwijl hij in de jaren 1880 tevens voltijds orkestmeester was in de Brusselse Vlaamse Schouwburg en daarna (opnieuw) in de Gentse opera. Als een in Brussel wonende Gentenaar was hij op z’n minst een vreemde eens in het Antwerpse muziekmilieu.

Eveneens kan je je afvragen hoe Waelput – ook wel eens de ‘luitenant van Benoit’ genoemd – zijn eigen rol zag in de constructie van een Vlaams muziekleven. Van de felheid waarmee hij eens Gevaerts kosmopolitisme aanviel en de Vlaamse zaak verdedigde, bleef – door zijn buitenlandse ervaring? Door de hernieuwde Brusselse belangstelling? – nauwelijks nog iets over. Waelput de vroegere polemist kroop niet meer in d epen en als dirigent en als symfonicus miste hij een uitgesproken profilering: zo dirigeerde hij enkele malen in het Franstalige Théâtre Nationale in Antwerpen en droeg hij zijn Derde symfonie (bijgenaamd De Nationale) op aan Leopold II.

Toch voelde hij zich geroepen om zich te profileren als Vlaams componist: zo gebruikte hij voor zijn vocale werken alleen maar Nederlandstalige teksten, zette hij als dirigent van de Brusselse Nationale Concerten en aan de Vlaamse Schouwburg regelmatig Vlaamse composities op het programma en smukte hij in 1881 de viering van Consciences honderdste publicatie op met een feestelijke orkestouverture, Hulde aan Conscience. Eveneens trad hij in Benoits voetsporen door in 1881 uit te pakken met Stella, een lyrisch drama op tekst van Isidoor Teirlinck en Reimond Styns, dat zich afspeelt in 1719, tijdens het tumult rondom de onthoofding van de ‘volksvriend’ en ‘martelaar der vrijheid’ Anneessens (aan wie Waelput al een concertouverture wijdde). Het werk, dat op 14 maart 1881 in het Brusselse Nationaal Tooneel in première ging, was wellicht Waelputs belangrijkste bijdrage tot de Vlaamse muziek. Niet alleen tekstueel en inhoudelijk sloot Waelput aan bij Benoits toneelexperimenten, ook door de bewuste keuze voor het lyrisch drama – door Benoit en de Antwerpse dirigent-componist Edward Keurvels gepromoot als hét muziektheatrale genre bij uitstek – en de Brusselse première mag het werk een belangrijk product van de Vlaamse muziek genoemd worden.

Ondanks de grote populariteit van Stella – een fragment eruit, Stella’s droom voor vioolsolo en orkest, zou een succesnummer worden op tal van orkestprogramma’s – was de impact ervan voor het Vlaamse muziekleven minder groot dan Waelput zich voorstelde. In 1881 sprak hij dan ook vertwijfeld over cette malheureuse cause flamande pour laquelle je sacrifierais ma vie (c’est tout ce qui me reste à faire).

 

Een ijdele hoop

In 1882 keerde Waelput terug naar Gent, waar hij Louis Jahn opvolgde als dirigent aan de opera. In zijn monografie herinnert Callant zich de bekwaamheid waarmee de dirigent zich deed opmerken:

Als orkestbestuurder was Waelput een der bekwaamste en ieverigste, die wij ooit gezien hebben. (…) ’t Was vooral dank aan de krachtdadigheid, het talent van Waelput, dat alles zoo goed mogelijk van stapel liep; want meer dan eens ging men de aangehaalde stukken zonder genoegzame, zelfs zonder algemeen erepetitiën opvoeren, en menigeen vreesde, en niet zonder reden, voor eene mislukking; doch, Waelput was dààr; op hem stelde men alle betrouwen en dat betrouwen werd met goeden uitslag bekroond.

Ook Paul Bergmans vestigt de aandacht op Waelputs vakkennis:

A son bénéfice, en 1885, au Théâtre de Gand, les musiciens exécutèrent non pas sous, mais sans sa direction, l’ouverture du Guillaume Tell, et cela avec une rare perfection et sans le moindre accident. N’est-ce pas le cas de dire avec Berlioz qu’ils doivent être fiers les musiciens qui voient en pareille occasion leur chef se croiser les bras ?

Ondanks de publieke waardering die Waelput genoot, bleef een officiële erkenning uit. Toen hij in 1883 met De Melomanen een groots festival opzette en er zijn cantate De pacificatie van Gent opnieuw uitvoerde, werd niet hij, maar wel de secretaris van de koorvereniging benoemd tot ridder in de Leopoldsorde. Dat was een slag, die Waelput diep trof, die zijne eigenliefde zeer kwetste en zijnen moed geweldig verlamde, zo stelt Callant.

Waelput was van zijne eigenwaarde ten volle bewust, hij kende de hoogte van zijn talent en wist dat hij, als kunstenaar, ver boven anderen stond. De diensten, welke hij, door de kunst, aan het land, aan de beschaving en veredeling van het volk bewees, waren zeer groot, en hij koesterde in stilte de hoop dat het Stadsbestuur ten minste, – wijl hij elders zich zoo dikwijls in zijne hoop bedrogen zag – wel eens die diensten zou vergelden… Het was, helaas! eene ijdele hoop, een droom!...

Hoeveel waarde Waelput hechtte aan een lintje of een officiële erkenning, is niet duidelijk. Het is moeilijk aan te nemen dat zijn laatste levensjaren een onafgebroken aaneenschakeling waren van onbegrip en getreur om het gebrek aan (formele) steun, zoals Waelputs biografen wel eens willen doen geloven. Met een voltijdse betrekking als dirigent in de Gentse Opera en een leerstoel aan de Antwerpse muziekschool kon Waelput zich best gelukkig prijzen. Niettemin mogen we de verhalen over zijn melancholieke verzuchtingen, zijn ‘ongelukkig bestaan’ en zijn ‘verwoest kunstenaarsleven’ niet zomaar negeren. Alvast het ontbreken van composities wijst in de richting van mentale misère en artistiek getob: vond de vroegere Waelput steeds de moed om tussen alle arbeidsverplichtingen door de pen ter hand te nemen, in zijn latere jaren liet de inspiratie hem volledig in de steek. Pas in de laatste maanden van zijn leven vond Waelput een project waar hij zijn schouders onder kon zetten. Samen met Emiel Callant zou hij een oratorium, Strijd van het menschdom, schrijven. Dat inhoud en thematiek van dit humanistische werk herinneren aan het koorwerk Wees man, eveneens geschreven tijdens een van Waelputs bedrukte momenten, mag niet toevallig zijn. Het zomergetijde zal mij den tijd geven, om mij aan het werk te zetten. Wij zullen samen iets grootsch maken, zo schreef Waelput aan Callant. Amper enkele weken later, op 8 juli 1885, stierf Waelput – totaal onverwacht – aan een borstvliesontsteking.

Nauwelijks een vier- of vijftal dagen te voren, mochten wij ons nog in zijne gezellige tegenwoordigheid verheugen en hadden menig uur, al sprekende over muziek, poëzie en al meer, in hartelijk genoegen doorgebracht, zo herinnerde Callant zich.

Wel wisten wij, dat hij sinds twee dagen ongesteld, zelfs bedlegerig was, doch niemand voorzag het zoo spoedig einde van ’s meesters leven. Helaas! er was geene begoocheling meer mogelijk! De smartelijke wezenlijkheid vertoonde zich voor ons, toen wij, eenige uren later, met een paar vrienden, voor de doodsponde van den kunstenaar gebogen stonden! Het scheen ons, alsof hij sliep en droomde van de schoonste, de dichterlijkste idealen, die in zijnen geest konden zweven en hem naar prachtige scheppingen leiden moesten. Zoo zacht, zoo rustig was de uitdrukking van zijn gelaat. Eene zijner bloedverwanten zegde wel de waarheid – wij gelooven dat het Waelput’s achtbare zuster was – toen wij voor ’s meesters lijksponde stonden, en een onzer vrienden de bemerking maakte, dat het bed met zooveel bloemen versierd was. “Ja”, antwoordde zij, ‘in zijn leven ging hij op doornen, thans ligt hij met bloemen en rozen bedekt.” Die woorden troffen ons zeer en dikwijls hebben wij ze ons herinnerd.

Twee dagen later werd Waelputs lichaam in de aanwezigheid van Peter Benoit begraven op het Gentse gemeentekerkhof.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Tom Janssens