Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Ryelandt, Joseph

Brugge, 07/04/1870 > Brugge, 29/06/1965

Biografie

Ryelandt, Joseph

door Annelies Focquaert

Joseph Ryelandt behoorde tot de Franssprekende bourgeoisie van Brugge en stamde uit een adellijke familie. Hij kreeg in zijn geboortestad een uiterst verzorgde opvoeding en volgde tijdens de schoolvakanties pianoles bij Franz De Vos in Gent. Na zijn humaniora studeerde hij wijsbegeerte aan de universiteit te Namen (1888 -1890) en volgde hij enkele maanden rechten te Leuven. Elisabeth Alberdingk Thijm gaf hem in die periode pianoles en zij raadde hem aan om compositielessen te nemen bij Edgar Tinel. Ryelandt diende zich in maart 1891 bij Tinel aan met enkele eigen werken en werd, ondanks Tinels aanvankelijke weigering, aangenomen als diens enige privéleerling. Tinel, die Ryelandt 4 jaar lang onder zijn hoede nam, was op dat moment directeur van het Lemmensinstituut en bracht Ryelandts voorliefde voor religieuze muziek tot bloei. In 1895 nam Ryelandt  deel aan de Prix de Rome-wedstrijd, maar hij behaalde geen prijs.

Tussen 1895 en 1924 hield hij zich uitsluitend bezig met het componeren en hij verkreeg met zijn oratoria en cantates nationale en internationale erkenning. In 1924 volgde Ryelandt Karel Mestdagh op als directeur van het Stedelijk Conservatorium van Brugge, waar hij tot in 1945 in functie bleef (weliswaar met een onderbreking van 1942 tot 1944, toen Renaat Veremans tijdelijk directeur was). Tussen 1929 en 1939 doceerde hij ook contrapunt aan het Conservatorium van Gent. In 1941 werd hij werkend lid van de Koninklijke Academie van België; later werd hij vereerd met de titel van baron. Hij schreef ook bijdragen voor Durendal, Musica Sacra, Le Drapeau en La Revue Générale.

Ryelandt componeerde zeer veel - zo'n 130 opusnummers - maar vernietigde ook verschillende jeugdwerken omdat hij ze onvolgroeid vond. Zijn eerste grote werk dat de zelfkritische toets kon doorstaan was het mysteriespel La Parabole des Vierges (1894). Later volgde de opera Caecilia, die in 1902 werd gecreëerd in de Koninklijke Vlaamse Opera van Antwerpen, en oratoria zoals Purgatorium (1904, gecreëerd in 1907), De komst des Heeren (1906), Maria (1909), Agnus Dei (1911) en Christus Rex (1922), die zijn naam en faam als componist vestigden. Verder omvat zijn oeuvre een groot aantal liederen, zowel op Franse als Vlaamse teksten (met een voorliefde voor stadsgenoot Gezelle); kamermuziek, waaronder vier strijkkwartetten, sonates voor cello en piano, klavierkwintetten; pianowerken zoals sonates, nocturnes of kinderstukjes. Tot zijn orkestwerk behoren vijf symfonieën, ouvertures en het symfonisch gedicht Gethsemane.

Natuurlijk laat hij als door en door christelijk componist ook heel wat religieus werk na: missen, motetten, een Te Deum (in een versie voor concertuitvoering en een versie voor de kerk), de eerder genoemde oratoria en verschillende cantates, waaronder De Zang van de armoede, Stabat Mater, Flos Carmelis, De Heilige Kerk, Mors vita, Veni Creator en De Goede Herder. Na 1944 besliste hij om niet meer te componeren.

Ryelandt heeft zich dus hoofdzakelijk georiënteerd - net als zijn leraar Tinel - naar koorcompositie, met oratorium en cantate als grote vormschema's. In die werken kon hij zijn hang naar het mystieke en zijn diepe geloof mengen met een traditionele en beheerste vormgeving en romantische harmonieën, tot muziek met een heel eigen gezicht.

"Ryelandt affirmeert zijn artistieke persoonlijkheid op basis van de grote tradities die hij steeds getrouw wil blijven. Hij gaat uit van de klassieke romantiek met contrapuntische inslag van Tinel, en verruimt zijn harmonische taal onder invloed van de Wagneriaanse modulatie, het Franckistische chromatisme en de Faureaanse melodische subtiliteit", zoals Marcel Boereboom Ryelandts stijl verwoordde.

In zijn Notice sur Edgar Tinel stelde Ryelandt zichzelf de vraag: "welk belang heeft het moderne in de toekomst?" Hij beantwoordde die met: "Het enige waar het op aankomt is ware schoonheid te scheppen, iets te zeggen te hebben. Men mag dan voor- of achterlopen: is men niet van zijn tijd, men zal van de toekomende zijn. Heeft Bach de nieuwe stroming van zijn tijd gevolgd? Neen. Maar het scheelt ons weinig: hij is van alle tijden." Ryelandt lijkt het hier niet alleen over Tinel te hebben, maar ook over zichzelf.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert