Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Callaerts, François-Antoine

Antwerpen, 05/04/1826 > Antwerpen, 15/06/1894

Biografie

Callaerts, François

door Annelies Focquaert

François Callaerts begon zijn muzikale loopbaan als jongenssopraan in het koor van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Hij bleef later niet alleen aan de muziekkapel verbonden als tenor, maar kreeg er ook een opleiding als violist. Vanaf 1855 had hij er de eerste vioolpupiter onder zijn hoede. Als solozanger trad hij regelmatig op voor Antwerpse muziekverenigingen zoals de 'Société royale d'harmonie', de 'Société de symphonie' en de 'Cercle artistique'; in het kamermuziekkwartet van Charles Wilmotte speelde hij altviool.

Vanaf de jaren 1840 werd hij zeer actief in het Antwerpse koorleven, dat in die periode een grote bloei kende onder invloed van de Duitse liedertafels. Zo was hij achtereenvolgens muziekdirecteur en/of dirigent bij de zangvereniging De Scheldezonen, de ‘Association royale des sociétés lyriques’ en het koor Amphion uit Berchem. Vanaf 1852 tot 1874 had hij de leiding over de muziekafdeling van de 'Cercle artistique, littéraire et scientifique d'Anvers', waarmee hij uitvoeringen dirigeerde van vocale en symfonische muziek (Händel, Haydn, Beethoven, Mendelssohn en Schumann) en op die manier deze ‘klassieke’ muziek bij een breder publiek bekend maakte. Hij was één van de eersten die werken van de vergeten polyfonisten uit de renaissance terug uitvoerden. Vanaf 1864 dirigeerde hij ook nog gedurende drie jaar de 'Société de musique d'Anvers’. Zijn belangrijkste aanstelling volgde in december 1878, toen hij kapelmeester werd in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, een functie die hij zou behouden tot aan zijn dood in 1894. Als kapelmeester zette François Callaerts de traditie verder van de concertmissen met grote koor- en orkestbezetting en had hij de later wereldberoemde tenor Ernest van Dijck als zijn leerling. Op die manier werd het hoogzaal van de kathedraal een familiezaak: zijn broer Joseph was er al jaar en dag organist en samen maakten ze als deskundigen deel uit van de adviescommissie voor de bouw van het nieuwe orgel (1888-1891).

Hij begon al vroeg met componeren (1841) en zijn voorliefde voor mannenkoor met of zonder begeleiding loopt als een rode draad door zijn oeuvrelijst. Ook later bleef hij vooral voor die bezetting schrijven, zowel op Nederlandse als op Franse tekst. Voorbeelden zijn de cantates Segher de Cortrazyn (1849) voor bariton-solo, mannenkoor en orkest, Nacht in Venetiën voor mannenkoor en orkest (1850), De Nerviërs voor mannenkoor en orkest (1850), en Hommage au Roi voor tenor, koor en orkest (dat met Callaerts zelf als solist gecreëerd werd in het Koninklijk Paleis in Brussel op 21 december 1851). In deze opsomming komen zowel Callaerts’ gehechtheid aan de Belgische dynastie als de idealisering van een heldhaftig Vlaams verleden naar voren. Andere koorwerken voor 4 mannenstemmen zijn onder meer De zang der Kempen (1850), Feestzang (1851) en Snelt aan, O Berchemnaren. Ook enkele kamermuziekwerken (een strijkkwartet en twee stukken voor harmonieorkest) en liederen (Aime moi d'amour; Aimer, espérer en La voix mélodie) staan op zijn palmares. Enkele werken, zoals een zesdelig Album de Chant, werden uitgegeven in Antwerpen.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek - Annelies Focquaert