Albert, Karel

Antwerpen, 16/04/1901 > Liedekerke, 23/05/1987

Biografie

Albert, Karel

door Adeline Boeckaert

Karel Albert begon zijn studies aan de Stedelijke Normaalschool van Antwerpen, waar hij muziekles kreeg van Flor Alpaerts. Daarna trok hij naar het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium, om zich vervolgens te vervolmaken bij Marinus de Jong. Reeds op 20-jarige leeftijd stond hij mee aan de wieg van de eerste modernistische concerten in Brussel en Antwerpen. Ook aan het Vlaams Volkstoneel verleende hij zijn medewerking met een 20-tal composities bij toneelwerken, zoals Mariken van Nimwegen (1924), Lucifer van Vondel (1926) en Adam in Ballingschap (1928). Deze abstract opgevatte werken bedacht Albert met het stilistische label ‘constructivisme’. Pijlers van deze stijl vormen het scenische gebeuren en de ritmische ondersteuning van de acteurs, eerder dan de romantische inhoud. Zijn composities werden opgemerkt: het Willemsfonds wijdde op 11 maart 1927 zelfs een volledig concert aan hem in het Antwerpse Conservatorium. In datzelfde jaar richtte Karel Alberts vriend en collega August Baeyens het Antwerps Kamermuziekgezelschap op, een vereniging die de moderne Vlaamse muziek een duwtje in de rug zou geven. Karel Albert hield zich rond deze periode schuil achter het pseudoniem K. Victors.

Albert beschouwde zijn compositie Het land, symfonische constructie (1937) als het absoluut hoogtepunt van zijn 'muzikaal constructivisme' (1937). Andere composities zijn Hymne, constructie voor gemengd koor (1922), gevolgd door een 6/4 constructie voor piano (1926), een 2/4 constructie (1930), een 3/4 constuctie en een 4/4 constructie (1932). Ook het Trio voor hobo, klarinet en fagot (1930) en zijn Kamersymfonie (1931) behoren tot deze richting. Rond de Tweede Wereldoorlog oriënteerde hij zich steeds meer naar een vereenvoudigde en op het classicisme geïnspireerde stijl. Zijn bekendste compositie, Het beestenspel uit 1933, wordt algemeen als voorbode beschouwd van deze nieuwe fase, die het meest tot uiting komt in zijn drie symfonieën: nr. 1 in E (1941), nr. 2 in G (1943) en nr. 3 in Bes (1945) en het ballet De toverlantaarn (1942). Na deze neoclassicistische periode koos Albert voor de atonaliteit, in werken als Kwintet voor fluit, hobo, viool, alto en cello (1954), Thema met variaties voor piano (1955), Derde sonate voor piano (1956), Bloeiende lotus (1956) en De nacht voor orkest (1956), dat volledig gebouwd was op het twaalftonenstelsel. In zijn Suite voor orkest (1958), Werkstuk voor altviool en blazerskwintet (1958) en Drie constructies voor snaren (1959) toonde Albert zich een overtuigd aanhanger van de dodecafonie. In de suite In den beginne was het woord voor bariton en orkest (1962), op teksten van Marcel Coole, week Albert voor het eerst af van de seriële techniek. In zijn Vierde symfonie (1966) ging hij zelfs verschillende stijlen naast elkaar gebruiken.

Componeren was niet Alberts enige bezigheid. In 1929 opteerde hij voor een vaste betrekking als onderwijzer en muziekleraar aan de Rijksmiddelbare School te Antwerpen. Enkele jaren later, in 1933, trad hij in dienst van het N.I.R. (Nationaal Instituut voor Radio-omroep): eerst als secretaris van de muziekdienst, vanaf 1936 als dienstchef en nog drie jaar later promoveerde hij tot adjunct-directeur. Na een onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog zette Albert zijn activiteiten bij het N.I.R. voort tot aan zijn pensioen in 1961.

Zijn open, kritische blik maar vooral zijn kennis van zaken, maakten van Karel Albert een geducht muziekrecensent. Hij was een vinnig polemist en uitstekend theoreticus die vooral in zijn jonge jaren stelling nam tegen het Vlaams romantisch lyrisme. Zijn artikels verschenen in bladen als Herleving, Pogen, Hoger leven, Vrij Nederland, De Standaard, De Radiobode. Een aantal van die artikels werd later opnieuw gepubliceerd in zijn sterk vulgariserend muziekhistorisch boek De evolutie van de muziek van de oudheid tot Beethoven aan de hand van grammofoonplaten (1947) en in Over muziek gesproken… Selectie uit de artikelen en essays in de laatste zestig jaar gepubliceerd (1982).

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Adeline Boeckaert